SCHRIJVER:  “CAROLINA VLASMUYS”

Over de auteur

Carolina Vlasmuys beschrijft de periode waarin ze leefde met een narcistisch psychopaat. Instinctief wilde ze afstand nemen van de narigheid toen het eenmaal voorbij was, maar de drang haar verhaal te delen en daarmee anderen in dergelijke situaties een hart onder de riem te steken, was echter sterker. Ze neemt ons mee vanaf de eerste verleidingsfase, de binding die volgde, het uiteindelijke ondergraven en vernietigen van haar geest. Ze beschrijft de kentering van haar liefde, de geraffineerd terugkerende psychische mishandelingen en het schadelijke spoor dat het trok op haar geestelijke en lichamelijke gezondheid.

Inkijk

Dan pakt hij zijn kans en zegt hoofdschuddend: “Nee, je bent gék, écht gek! Misschien moet je eens naar die Gert van je, je vriendje de psycholoog. Misschien kan hij er nog wat mee, al betwijfel ik dat.” Haar bloed bereikt het kookpunt. Als onder een vergrootglas ziet ze de spottende valse trek op zijn gezicht. Ze slikt, haar arm komt omhoog, haar hand haalt uit in een onbedwingbaar verlangen het leedvermaak van zijn gezicht te slaan. Dan draait ze zich met een ruk om, holt naar de gang, sleurt haar jas van de kapstok, rent terug voor haar autosleutels en verlaat struikelend het huis. Met zijn voorhoofd tegen het glas van het raam gedrukt ziet Thomas haar in het donker in haar auto stappen. Hij draait zich om, schudt nog eens glimlachend zijn hoofd, pakt de sleutel uit het bakje en draait de deur in het slot. Hij loopt naar de badkamer, kleedt zich uit en gaat naar bed. Amber rijdt met gierende banden de nacht in. Ze trapt het gaspedaal veel te diep in. “Rustig vrouw,” maant ze zich bij de eerste bocht. “Zo meteen rijdt je jezelf nog te pletter.” Een kwartier lang rijdt ze doelloos rond, gewoon weg. Weg van hem. Weg van deze treiteraar, weg van zijn negativiteit, zijn machtswellust, zijn terreur. Weg van deze enorme egoïst die het slechtste in haar naar boven haalt. “Ik had hem bijna iets aangedaan! Zijn sadistische zelfgenoegzaamheid, wat haat ik dat gedrag. Hoe vreselijk ik het ook vind, maar wat zou ik hem graag de pijn aandoen die hij mij al zo lang aandoet!” Amber rijdt haar auto langzaam de berm in en stopt onder een lantaarnpaal langs het smalle weggetje. Haar boosheid is wat weggevloeid. Ze voelt zich uitgeput. Ze legt haar handen op het stuur, steunt haar hoofd op haar handen en huilt. Ze huilt tot ze niets meer voelt. Leeg staart ze door haar natte wimpers naar het schijnsel van de straatlantaarn voor haar auto. Ze voelt haar lijf niet meer. Ze is alleen nog brein.